home
 

AndreaskerkKlik op foto voor groot formaat
Klaas Veltman, Willemijn Roodbergen (organisten)

 

Heer Vrankestraat 51
3036 LB Rotterdam
info: 010–466 34 69
NS-station R’dam-Noord, tram 4, 8 bus 170, 173

 

 

 

HET BLANK-/ REIL-ORGEL VAN DE LUTHERSE ANDREASKERK

Eerste orgel 1959-2001
De Andreaskerk is in 1947 gebouwd, maar tot 1959 (!) was zij niet voorzien van een vast orgel. Tot die tijd behielp men zich met een noodvoorziening.
In 1956 werd opdracht gegeven voor de bouw van een orgel aan H. Vermeulen uit Overschie. Deze leverde een instrument, dat was gebouwd volgens het electro-pneumatische systeem.
Bijzonder was dat hij dit combineerde met springladen.
Het instrument bezat geen orgelkas, maar was vrij in de ruimte geplaatst op een plek ver van de zingende gemeente, op een betonnen platform hoog in de kerk, boven de ‘zangzolder’. Er werden relatief goedkope materialen toegepast, zoals zink en geperst materiaal.
Juist in die tijd maakte de Nederlandse orgelbouw een sterke ontwikkeling door, waarbij orgels teruggrepen op de eigenschappen van de beroemde oude Nederlandse en Noordduitse orgels. Om een of andere reden heeft de toenmalige Lutherse gemeente echter gekozen voor een relatief verouderd concept.
Het Vermeulen-instrument heeft de gemeente ruim veertig jaar trouw gediend.
Maar aan het einde van de jaren ‘90 jaren traden de slechte eigenschappen van het orgel steeds vaker naar voren: het ging meer onderhoud vragen, de organisten moesten regelmatig kleine storingen verhelpen, registers werden onbruikbaar. Ook voldeed de klankconceptie van het instrument niet meer.
Er werd een orgelcommissie in het leven geroepen, die de wenselijkheid en haalbaarheid van een nieuw orgel onderzocht. Zij schakelde Jan Jongepier in, als adviseur namens de (toen nog) Samen-Op-Weg Kerken. Hij bracht een rapport uit over het instrument, waarin geconcludeerd werd dat het Vermeulen-orgel op korte termijn aanzienlijke reparaties zou vragen.

Het tweede instrument 2001-heden
De orgelcommissie heeft toen drie opties gewogen: een nieuw orgel laten bouwen, een historisch (monumentaal) orgel kopen dat elders overbodig zou zijn of een orgel uit deze eeuw ‘tweedehands’ aanschaffen. Het werd de laatste. De adviseur kende een uitstekend instrument, dat gebouwd was volgens de nieuwe inzichten van de Nederlandse orgelbouw vanaf de jaren zestig. Het stond in een de Gereformeerde Noorderkerk in Sneek en was gebouwd door K. B. Blank en Zn. Deze kerk werd gesloten. Na visitatie door de orgelcommissie en uitgebreide technische rapportage van de adviseur adviseerde de commissie positief aan de kerkenraad. Deze nam in februari 2001 het besluit dit orgel te kopen. Er werd offerte gevraagd bij verschillende orgelmakers voor overplaatsing, alsmede uitbreiding van het orgel met 4 registers, die oorspronkelijk al in het instrument gereserveerd waren. Uiteindelijk werd aan de Gebr. Reil te Heerde de opdracht gegund.
En vanaf dat moment begint de geschiedenis van het tweede orgel van de Lutherse Andreaskerk.

Voordat het nieuwe instrument geplaatst kon worden, moest het naar de werkplaats van de firma Reil om schoongemaakt, gereviseerd en uitgebreid te worden. Het oude instrument werd in tussen door gemeenteleden verwijderd.Daarna diende het balkon te worden aangepast aan de komst van het nieuwe orgel. Zo moesten betonnen treden worden uitgehakt, een nieuwe eiken vloer worden aangelegd en, last but not least, de grote witte luifel worden verwijderd. Hier bleek dat alle deskundigen zich lichtelijk hadden verkeken op de degelijkheid van het kerkgebouw. Vooral het afzagen van de luifel, met watergekoelde diamantzagen, was een klus.
Talloze andere ingrepen moesten worden verricht, van het weghalen van lichtkronen, het aanleggen van krachtstroom tot en met het uitnemen van de deurkozijnen omdat de orgelkas twee centimeter te breed was!
In september arriveerde het nieuwe orgel. Met vereende krachten werd de onderkas naar boven gehesen. Na pas- en meetwerk om het instrument in het optische midden van de kerk te krijgen, kon met de verdere opbouw van het instrument worden begonnen.

foto: Otto Martens/ELG Rotterdam

Het nieuwe geluid
Qua klank, uiterlijk en gebruikte techniek is het tweede instrument geheel anders dan het Vermeulen-orgel. Het nieuwe instrument is in 1967 gebouwd door K. B. Blank en Zoon te Herwijnen. Het belichaamt voor een belangrijk deel de inzichten die toen in de orgelbouw opgeld deden. De klank werd geënt op de orgels van de barok en die van het klassieke Hollandse orgel uit de 18e eeuw: kernachtig, rond en helder.
Bij oplevering in Sneek telde het instrument veertien stemmen, er was ruimte gereserveerd voor nog eens zes registers. In 1988 werd door de firma Reil een revisie uitgevoerd, waarbij twee stemmen werden bijgeplaatst.
Het ontwerp van de eikenhouten kas is typerend voor de orgelbouw van de jaren zestig: functioneel, met vlakke fronten en eenvoudig gezaagde versieringen. De halfronde bekroning van de kas is speciaal voor de Andreaskerk vervaardigd om het orgel beter te laten aansluiten bij de boognis erachter. De speel- en registertractuur is mechanisch.
Bij de revisie en uitbreiding zijn onder meer de volgende werkzaamheden uitgevoerd.
De orgelkas is verstevigd door de stijlen te verdikken. Ook is de kas met muurijzers verankerd. Aan de achterkant werd een solide stemvlonder aangebracht. In het front van het hoofdwerk werden loze pijpen aangebracht aan de bovenkant in de twee tot dan toe lege tussenvelden.
De klaviatuur en de speelmechanieken werden opnieuw afgeregeld, waar nodig werden leer en vilt vervangen.
De windvoorziening bleek in orde, slechts de tremulanten moesten worden vernieuwd. Onderdelen van kunststof werden vervangen door lederen.
Belangrijk is de uitbreiding van de dispositie. Op het Hoofdwerk werd een nieuwe Octaaf 2’ geplaatst. De oude werd gebruikt om de in 1988 ‘uitgedunde’ Mixtuur weer op sterkte te brengen. Voor het Rugwerk werden een Scherp 3-4 sterk en een Dulciaan 8’ vervaardigd. Tenslotte werd het pedaal verrijkt met een Fagot 16’ en een Cornet 4’. Het gehele orgel is in de werkplaats van de orgelmakers en in de kerk waar nodig geherintoneerd. Door intonatie en dispositie is het instrument voor relatief veel orgelliteratuur geschikt.

De dispositie van het orgel:

Hoofdwerk (C- g3)

Rugwerk (C- g3)

Pedaal (C- f1)

Prestant           8’

Holpijp             8’

Subbas             16’

Viola                 8’

Prestant           4’

Prestant           8’

Roerfluit           8’

Fluit                 4’

Fagot               16’

Octaaf              4’

Nasard              2 2/3’

Cornet              4’

Speelfluit          4’

Woudfluit         2’

Octaaf              2’

Sexquialter       2 st. d.

Mixtuur 4-5 st.  2’

Scherp              3-4 st.

Trompet b/d     8’

Dulciaan           8’

Koppeling Rugwerk-Hoofdwerk
Koppeling Rugwerk-Pedaal
Koppeling Hoofdwerk-Pedaal
Tremulanten op Hoofdwerk en Rugwerk.
Mechanische speel- en registertractuur.

Andries Ponsteen/Jan Blankers, februari 2007

Het VAN DER WEELE-orgel

In 2005 verwierf de Andreaskerk een bijzonder, historisch bureau-orgel uit 1818 van de Zeeuwse bouwer Frederik van der Weele.
De relatief onbekende, maar meesterlijke orgelbouwer Van der Weele (1752-1840) was gedurende lange tijd stadsorgelmaker van Middelburg. Dat hij ondanks die lange werkzame periode weinig bekendheid geniet, heeft ermee te maken dat hij nauwelijks nieuwe kerkorgels kon bouwen door ongunstige economische omstandigheden en de geïsoleerde positie van het eiland Walcheren. Wel bouwde hij een aanzienlijk aantal huisorgels van zeer hoge kwaliteit, waarvan er zeker zeven bewaard zijn.
Het bureau-orgel heeft een met bloemmahonie gefineerde eiken kast in empirestijl. Het instrument bevat 276 pijpen. Bijzonder is, dat het pijpwerk vrijwel geheel origineel is: klanktechnisch is het nooit ingrijpend gewijzigd. Daardoor heeft het orgel naast een grote historische, ook een grote muzikale waarde. Het is rijk en fijnzinnig van klank.

Dispositie:
Prestant 8’ D
Holpijp 8’ B/D
Prestant 4’ D
Fluit 4’ B/D
Nachthoorn 3’ D
Octaaf 2’ B/D
Gemshoorn 2’ B

Tremulant en pianotrede

Willemijn Roodbergen kreeg in haar geboorteplaats Dordrecht op tienjarige leeftijd haar eerste harmoniumlessen van Leen Pors, organist van de Wilhelminakerk, en later orgellessen van Wim Stegeman, organist van de Evangelisch-Lutherse Kerk aldaar en van Jan Bonefaas in de Grote Kerk te Gorinchem. Tijdens en na haar studie Franse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Utrecht waren Theo Teunissen en Wout van Andel haar orgeldocenten. Zij volgde masterclasses in Saint- Maximin in Frankrijk bij André Isoir en André Stricker, in Romainmôtier en Porrentruy (Zwitserland) bij Guy Bovet, Lionel Rogg en Michaël Radulescu en in het kader van de Haarlemse Zomeracademie bij Ewald Kooiman. Ook schoolde zij zich in zang en koordirectie en behaalde zij het diploma van de Meerjarige Dirigentenopleiding. Momenteel studeert zij orgel bij Cor Ardesch in de Grote Kerk te Dordrecht en bespeelt dan zowel het Kam-orgel als het daar in 2007 geplaatste Bach-orgel van orgelbouwer Verschueren. Zanglessen heeft zij van Esther Putter te Utrecht.
Zij was jarenlang docent Frans in het havo en vwo. Voor 'Het Orgel', één van de tijdschriften van de Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici, verzorgt zij de Franse vertaling van de samenvattingen van de artikelen. Na organistschappen in Dordrecht en in Maarssen bespeelde zij 26 jaar het orgel in de Pniëlkerk in Utrecht. Sinds 1 oktober 2009 is zij als organiste verbonden aan de Evangelisch-Lutherse Andreaskerk in Rotterdam.